Les 3 – structuur en opbouw van een muziekstuk

In deze les worden twee aspecten van Balinese composities besproken. De structuur beschrijft de rol van de verschillende instrumenten. De opbouw beschrijft de delen waaruit een compositie is samengesteld.

Structuur

In onderstaande video wordt een deel van de Baris -een krijgsdans- per instrument opgebouwd om de rol van ieder instrument te illustreren. Uitleg volgt hieronder.


Structuur van de baris gilak

Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen de ritmische en de melodische structuur.

Ritmische structuur

Gongan

De ritmische basisstructuur wordt colotomie genoemd. Op Bali worden hiervoor de termen gongan (gongpatroon) en tabuh (compositiestijl) gebruikt. De colotomie wordt gespeeld door de gongsectie (de gong, kempur en kentong) en de kempli. De gongsectie speelt samen met de kempli een patroon dat telkens wordt herhaald. Dit patroon wordt gongan genoemd. Twee vaak voorkomende patronen zijn:

Bapang: gong . kempur . kentong . kempur . (gong) en

Gilak: gong . . . gong kempur . kempur (gong)

In de geluidsvoorbeelden wordt iedere gongan tweemaal gespeeld. Bij bovenstaande notatie staat een punt voor een kemplislag wanneer deze niet met een ander instrument samenvalt. De laatste gongslag staat tussen haakjes omdat de cyclus daar weer begint. Balinese muziek is namelijk cyclisch, wat inhoudt dat gongpatronen en de  bijbehorende melodie alsmaar herhaald worden. Daarbij vallen de eerste en de laatste tel samen. Een gongan begint en eindigt altijd met een gongslag.

Een gongan bestaat altijd uit een veelvoud van acht tellen. Bovenstaande gongan bestaan beide uit precies acht tellen, en dat is voor de gilak de enige variant. Van de bapang bestaan varianten van 16, 32 en zelfs 64 tellen. Andere gongpatronen komen ook voor, met een lengte die kan oplopen tot 256 tellen.

“Wat belangrijk is bij het bestuderen van melodie is de patokan (maatvoering). Het is de kunci, de sleutel. De noten zijn niet zo belangrijk. Iedere regio heeft vaak eigen ideeën over variaties op de hoofdmelodie. Leer eerst de patokan, dus het aantal slagen van de kempli per gongcyclus.”

Cokorda Putra Swastika, Ubud, 2011

Versieringen

De kendang, ceng-ceng en reyong spelen colotomische versieringen. De reyong wordt hierbij als slagwerk gebruikt door op verschillende manieren op de ketels te tikken en te slaan.

Angsel

Wanneer de muziek een danser begeleidt worden colotomische versieringen gebruikt om bepaalde dansbewegingen te benadrukken. Het gaat meestal om een plotselinge verandering van lichaamshouding of van looprichting, of om abrupte bewegingen van armen of benen. Deze passages heten angsel en worden door het gehele orkest onderstreept door afwijkende ritme en dynamiek die de bewegingen van de danser of danseres volgen.

Melodische structuur

Pokok

De kernmelodie heet in het Balinees pokok (kern, essentie) en wordt gespeeld door de calung. De jegogan ondersteunen de calung door een deel van de pokokmelodie mee te spelen. Meestal spelen de jegogan één op de twee of één op de vier noten van de pokok-melodie. De calung en jegogan spelen samen het melodische gedeelte van de pokok, de gongsectie en de kempli spelen het ritmische gedeelte. Deze instrumenten vormen de basis van het orkest en worden de pokok-sectie genoemd.

Neliti

De solo-instrumenten (ugal, trompong, suling) en de gender rambat spelen een variatie op een melodie die neliti wordt genoemd. Deze melodie volgt de pokok maar bevat in het algemeen meer noten, meestal twee of vier keer zoveel. De neliti (exact, correct) wordt beschouwd als de basismelodie van de compositie. Hij is vaak niet als zodanig te horen maar kan worden afgeleid van de partij van de solo-instrumenten. Een vergelijkbare situatie kennen wij onder andere in de jazz-muziek waar een solo-instument op de hoofdmelodie kan improviseren door extra noten toe te voegen, noten weg te laten of syncopisch te spelen. Een ervaren luisteraar ‘hoort’ desondanks de basismelodie, al wordt deze niet als zodanig gespeeld.

Versieringen

De gangsa en de reyong omspelen de pokok of de neliti met vaak complexe melodische patronen. In dit geval wordt de reyong als melodisch instrument gebruikt. Bij een angsel verandert het ritme en dynamiek van de gangsa-melodie.

Opbouw

Een muziekstuk bestaat meestal uit een aantal delen die van elkaar kunnen verschillen in melodie, gongpatroon en tempo.

Een veel voorkomende opbouw bevat drie delen: de kawitan (introductie), pengawak (letterlijk ‘lichaam’, het hoofddeel) en de pengecet (afsluiting). Deze opdeling komt oorsponkelijk van de lelambatan genre (zie les 4). Deze onderdelen kunnen zelf weer uit een aantal delen bestaan.

kawitan
Introductie, vaak voorafgegaan door een solo van de ugal, gender rambat of trompong. Bij de ugal beslaat de solo één gongan en is hij meestal een variatie op de kawitan-hoofdmelodie. Bij klassieke genres zoals de semar pagulingan en de pelegongan is dit een langere solo die door gender rambat of door een trompong wordt gespeeld en die meestal afwijkt van de kawitan-melodie.
Deze solo wordt gevolgd door de eigelijke kawitan die door het gehele orkest wordt gespeeld. Bij een dans is dit het gedeelte waarbij de dansers op de dansvloer verschijnen.

pengawak
Het hoofdthema van de compositie. Meestal is het tempo langzamer dan dat van de overige delen. De pengawak bestaat vaak uit verschillende delen die elk een eigen gongpatroon kunnen hebben.

pengecet
Het laatste deel van de compositie. Het tempo is meestal veel sneller dan dat van de pengawak.